Sint Antonius en slimige spise: do's en don'ts tegen de pest
Tussen de gebeden in een Middelnederlands getijdenboek staat er plots een verrassende tekst: praktisch advies tegen de “nieuwe ziekte”, de pest. Voor de moderne lezer misschien onverwacht, maar voor een middeleeuwer meer vanzelfsprekend.
Op het eerste gezicht is er aan het handschrift Utrecht, Universiteitsbibliotheek Hs. 1037 (Hs. 2 E 19) niets ongewoons op te merken. Het is een getijdenboek met een gevarieerde verzameling teksten dat rond 1430 werd vervaardigd. Het is geïllumineerd door de Meesters van Zweder van Culemborg (zie afbeelding 1) en drie kopiisten hebben aan het handschrift gewerkt. De eerste hand kopieerde de kalender, de Mariagetijden, de Getijden van de Heilige Geest en de Getijden van het Heilige Kruis. Een tweede hand schreef de gebeden tot Sint-Antonius neer op een nieuwe katern vanaf 98r, die versierd werd met een andere soort penwerk. De geschilderde decoratie werd echter door dezelfde meester vervaardigd als die in het eerste deel (Bloem 123). Ten slotte vulde een derde, latere hand een stukje getijdentekst dat ontbrak aan en voegde vanaf folio 103r gebeden toe, voornamelijk voor de communie.
Wanneer je het handschrift van begin tot eind leest, stuit je echter op een voor een getijdenboek uitzonderlijke tekst. Aansluitend op het laatste gebed voor de pestheilige Sint Antonius zijn voorschriften tegen de pest opgetekend. Het gaat niet om een uitvoerig medisch traktaat, maar om een verzameling concrete aanbevelingen die bescherming tegen de ziekte zouden moeten bieden. Dat deel van de tekst wordt ingeluid met de zin "Desen raet hebben die meisters ghevonden teghens die nye zuycten" (zie afbeelding 2).
Pestvoorschriften
Al in 1939 verscheen er een editie van het pesttraktaatje in Utrecht 1037 door M.H. Hulshof, maar sindsdien heeft het weinig aandacht gekregen. De pest keerde doorheen de vijftiende eeuw met wisselende hevigheid in herhaaldelijke golven terug, dus dergelijke voorschriften waren niet uitzonderlijk. Braekman en Dogaer, die in 1972 vijf Middelnederlandse teksten in traktaatvorm inventariseerden, wezen er echter op dat het corpus, zeker in vergelijking met de omvangrijke Latijnse en Duitse pestliteratuur, relatief beperkt is. De behandelmethode en preventievoorschriften tegen de pest veranderden nauwelijks doorheen de late middeleeuwen (Nockels Fabbri 247-248). De tekst uit Utrecht 1037 vertoont parallellen met de zogenaamde ‘Praagse Brief’, een pestvoorschrift ook genaamd Missum imperatori uit 1371, dat dan weer gelijkenissen toont met het erg bekende pestadvies dat in 1348 aan de medische faculteit opgesteld werd voor koning Filips VI. De Praagse brief is in de vijftiende en zestiende eeuw in het Middelnederlands in zeker zes andere handschriften overgeleverd, maar naar de versie in Utrecht 1037 wordt niet verwezen in andere edities van de tekst (Jansen-Sieben U270): ook Braekman en Dogaer vermeldden haar niet in hun overzicht. Mogelijk hangt dit samen met de uitzonderlijke plaats waarin het traktaat is overgeleverd: Utrecht 1037 is vooralsnog het enige bekende getijden- of gebedenboek dat deze tekst bevat. Sterker nog, van alle getijdenboeken met de vertalingen van Geert Grote van voor 1450, is dit naar mijn weten het enige dat dit soort praktische adviezen bevat.
Voorkomen is beter dan genezen
Het pestvoorschrift bestrijkt vijf bladzijden. Nadat er wordt benadrukt dat de informatie uit goede bron komt (de paus zond deze brief naar de koning van Frankrijk), worden de volgende adviezen gegeven:
- Bij pestbuilen:
- Triakel, mosterdzaad en vlierbladeren fijnstampen en op de buil binden
- Een halfuur daarna wijnazijn en wijnruit op de pleister aanbrengen
- Weegbree, vlierbladeren en witte gember met wijn fijnstampen en negen ochtenden drinken.
- Hoe een gezond leven behouden:
- Hoedt u voor vrees, onrust, overmatig drinken en slijmig (in betekenis: smerig) voedsel
- Licht eten met wijnazijn en goede drank drinken
- Hoedt u voor onkuisheid en in het bijzonder voor prostituees
- Eén-twee keer per week een hoeveelheid triakel ter grootte van een boon eten
- Vermijd slechte adem en lucht
- Zeker niet baden noch lang vasten en drie keer per dag eten
- Niet gaan naar mensen die de ziekte hebben
- 's Morgens handen en voorhoofd met azijn wassen en aan de handen ruiken tegen de boze lucht
- Drie of vier rode noten met wat wijnruit nuchter eten is goed
- Drie of vier bladeren zuring nuchter uit koud water eten is ook goed.
Het is opvallend dat tekst in Utrecht 1037 weinig instructies bevat over ingrepen als aderlaten of het openmaken van pestbuilen, wat vaak wel het geval is in andere traktaten. Die focus van de voorschriften op preventie in plaats van medische behandelingen, past waarschijnlijk meer bij het soort kennis dat een eigenaar van dit soort gedecoreerde getijdenboeken, vaak leken, nodig had en zelf concreet kon gebruiken.
Gebeden en recepten
Deze tekst is niet enkel interessant omdat hij een getuige is van hoe er in de Nederlanden concreet werd omgegaan met besmettingsgevaar en ziekte, maar vooral omdat hij veel zegt over de gebeden waarmee hij gecombineerd wordt. De tekst met praktisch advies sluit namelijk naadloos aan bij een gebed aan Sint Antonius, een pestheilige (zie afbeelding 3). Die bedinge bestaat uit verschillende onderdelen die ook (afzonderlijk) in andere getijdenboeken te vinden zijn. Zoals je op afbeelding 2 kan zien, heeft de kopiist geen ruimte gelaten voor een grotere initiaal die een nieuw tekstelement zou aanduiden, en heeft de rubricator geen titeltje toegevoegd: de adviezen vormen één geheel met de gebeden die eraan voorafgaan.
Dit toont prachtig aan hoe instrumenteel en doelgericht gebeden in een getijdenboek konden zijn voor een gebruiker: het gebed naar Antonius biedt de spirituele bescherming, het traktaatje de praktische bescherming. Volgens Eamon Duffy werden gebeden in de laatmiddeleeuwse christelijke traditie voor leken niet zozeer gewaardeerd om hun stilistische kwaliteiten, maar om hun veronderstelde bruikbaarheid en effectiviteit: een goed gebed was volgens Duffy eerder te vergelijken met een beproefd kookrecept dan met een gedicht dat iemands gevoelens op indringende wijze verwoordde (Duffy 104-105). Het is interessant dat Duffy gebeden juist met een recept vergelijkt, want in dit getijdenboek zien we deze grens vervagen. Getijdenboeken konden meerdere doelen dienen. De gebeden en getijden konden zorgen voor een diepere bezinning die de gelovige dichter bij God kon brengen of het verblijf van geliefden in het vagevuur verkorten, maar konden ook instrumenteel zijn. Voor de lezer is het bidden naar Sint Antonius een doelgericht zoeken naar bescherming, net als het volgen van een voorzorgsmaatregel als het wassen met azijn om besmettelijke lucht te vermijden. Beide waren bovendien ook onlosmakelijk met elkaar verbonden, want vroomheid viel niet los te koppelen van een goede gezondheid: gezond blijven of ziek worden werd namelijk gezien als afhankelijk van de wil van God.
Conclusie
Het is interessant dat het gebed aan Sint Antonius en het voorschrift een aparte katern vormen. Deze katern sluit ook goed aan bij het eerste deel van het handschrift: de geschilderde decoratie is aangebracht door dezelfde meester en ook het aantal regels per bladzijde is hetzelfde. Een mogelijk scenario is dat een nieuwe pestgolf ervoor zorgde dat de eigenaar rond 1430 een toevoeging aan zijn of haar getijdenboek liet maken, met een andere kopiist en ander penwerk, maar waarbij hij of zij dezelfde meester de geschilderde decoratie liet toevoegen, zij het met een variërend motief. Zo kon die eigenaar een extra pakketje aan voorzorgsmaatregelen aan het getijdenboek toevoegen om de dreiging van de pest het hoofd te bieden. Dit laat bovendien mooi zien hoe Middelnederlandse getijdenboeken verder gepersonaliseerd konden worden door de toevoeging van teksten, afbeeldingen of hele katernen. Het is een misvatting dat getijdenboeken voornamelijk uit een aantal standaardteksten bestonden en weinig variatie bevatten. Juist een gedetailleerde bestudering van de inhoud van getijdenboeken kan interessante elementen aan het licht brengen, die anders onder de radar zouden blijven, zoals dit pesttraktaat.
Verder lezen:
Bloem, Miranda. De Meesters van Zweder van Culemborg. Werkplaatspraktijken van een groep Noord-Nederlandse verluchters, ca. 1415-1440. Proefschrift, Universiteit van Amsterdam, 2015.
Coomans, Janna. Community, Urban Health and Environment in the Late Medieval Low Countries. Cambridge: Cambridge University Press, 2021. Vooral hoofdstuk 5, “Plague in Urban Healthscapes”.
Duffy, Eamon. Marking the Hours: English People and Their Prayers, 1240-1570. New Haven: Yale University Press, 2006.
Hulshof, M. H. “Gebed en voorschriften tegen pest in een Utrechtsch getijdenboekje uit 1440”. Bijdragen tot de Geschiedenis der Geneeskunde 19 (1939): pp. 38-40.
Jansen-Sieben, Ria. Repertorium van de Middelnederlandse Artes-Literatuur. Leiden: Brill, 1989.
Nockels Fabbri, Christiane. “Treating Medieval Plague: The Wonderful Virtues of Theriac”. Early Science and Medicine 12 (2007): pp. 247-283.