Arnhems stedelijke ontwikkeling onder de loep
Welke inzichten levert interdisciplinair onderzoek naar Arnhems vroegste stedelijke verleden en wat betekent dit voor bestaande hypothesen? Martijn Defilet is met dit vraagstuk aan de slag gegaan. Een analyse op het snijpunt van archeologie, geschiedenis en landschapsvorming
Over Arnhems ontwikkeling als stad wordt al decennialang gespeculeerd. Uit hiermee samenhangende hypothesen blijkt een allesbehalve eenduidig beeld. Deze situatie werkt in de vorm van inconsistenties op een negatieve wijze door in tegenwoordige publicaties over de stad. Een beperking van eerdere onderzoeken is dat deze zich grotendeels eenzijdig op historische bronnen moesten baseren. Dit terwijl voor het tijdsgewricht van prestedelijke ontwikkeling en stadswording juist ook de archeologie, hier bedoeld inclusief de geoarcheologie, als leverancier van informatie geldt en kracht kan worden gehaald uit een interdisciplinaire benadering.
Vroegmiddeleeuws grafelijk domein als casus
Het onderzoek naar Arnhems prestedelijke ontwikkeling en stadswording is onderwerp van een self funded promotieonderzoek (Faculteit der Archeologie, Universiteit Leiden) met een beoogde einddatum in 2029. Het onderzoek is daarmee in volle gang, maar toch kan de ‘zoektocht’ naar het vroegmiddeleeuwse domein van de graaf met bijbehorende curtis dienen als kort en zeker nog uit te werken voorbeeld van het nut van interdisciplinair onderzoek.
Van de meerdere hypothesen over dit specifieke thema geldt die van historicus Verkerk (1983) als meest doorwrochte en waardevolle bijdrage, terug te lezen in veel recente publicaties over Arnhems verleden. In de betreffende bijdrage wordt de geschiedenis van Arnhem (samenvallend met de locatie van de historische binnenstad als kern van waaruit de stad zich ontwikkelde) teruggevoerd tot de late zevende eeuw, betrekking hebbend op een nederzetting liggend aan de nu ondergrondse Sint-Jansbeek. Het ‘koningsgoed’ waarvan de plaats op dat moment deel uitmaakte, zou vóór het jaar 763 door Pippijn als domein aan de abdij Prüm zijn geschonken, de geestelijke instelling die hij destijds heroprichtte (e.g. Knichel 1987, 11) en als weldoener ook goederen schonk.
Dat de abdij goederen in Arnhem had, blijkt uit de traditioneel in 893 gedateerde Prümer Urbar (e.g. Schwab 1983) waarin voor Arnhem onder meer staat vermeld dat hier “een kerk is die 1 pond tijns betaalt” en “7 laathoeven die elk op Sint-Maarten 20 denariën betalen.” De betreffende goederen kunnen in de omgeving van de huidige Sint-Eusebiuskerk aan de Markt en langs de benedenloop van de Sint-Jansbeek worden geplaatst (afbeelding 1). Hier kan op basis van een oorkonde uit 1310 (Nijhoff 1830, no. 115, 119-120) het erf met de hofstede van de Prümer pastoors worden gelokaliseerd die in 1257 bovendien als beheerders van de curtis worden omschreven (Sloet 1872-1876, no. 791, 772-773). Op het bijbehorende saalland troffen archeologen in de periode 2003-2004 (Musiskwartier) en onlangs nog in 2025 (Koningsplein, afbeelding 2) resten van boerderijen en overige structuren aan die teruggaan tot het midden van de tiende eeuw en mogelijk (lopend onderzoek!) de eerste helft van de vroege middeleeuwen. De in de Urbar genoemde kerk heeft naar verwachting ter hoogte van de Sint-Eusebiuskerk gestaan. Hier zijn tijdens restauratiewerkzaamheden in 1959-1960 resten van een romaans zaalkerkje uit het jaar 1000 gevonden (Rosenberg 1960), Arnhems tot op heden oudst bekende kerkresten. De kritische lezer zal opmerken dat hiermee nog niet het gat van ruim 100 jaar met de oudste kerkvermelding van 893 is gedicht, maar in de direct westelijk aangrenzende omgeving van het Kerkplein (Van der Mark & Tolboom 2016) zijn wel negende-eeuwse nederzettingssporen aangetroffen.
Waar de curtis van de abdij Prüm als centrum van het bijbehorende domein zich redelijk goed laat lokaliseren, levert de vroegmiddeleeuwse grafelijke tegenhanger hoofdbrekens op. Dat ook de graaf met Arnhem verbonden goederen had, volgt wederom uit historische bron waarvan de oudste terug gaat tot 996. Toen verdeelde de Duitse keizer Otto III als gevolg van een erfenistwist het “domein Arnhem” van graaf Wichman onder zijn dochters Adela en Liutgard (Sloet 1872-1876, no. 116, 113-117). In deze periode van de late tiende eeuw was het koningsgoed ter hoogte van Arnhem kennelijk onder de abdij Prüm en graaf verdeeld. Van deze situatie wordt aangenomen dat de graaf zijn domein als gelijk schenkingsdeel kreeg op het moment dat Pippijn de abdij Prüm doteerde, als direct aangrenzende buur.
Buiten het hierboven gereconstrueerde domeindeel van Prüm in Arnhem zijn echter geen sporen teruggevonden die tot deze periode van het midden van de achtste eeuw of de late tiende eeuw terugvoeren. De graaf is pas ‘zichtbaar’ vanaf de late twaalfde eeuw. In het noordelijke deel van de stad, door Gerard in 1227 aangeduid als “ons oppidum” (Sloet 1872-1876, no. 505, 508) bezit hij dan over verschillende goederen en rechten. Een grafelijke hof is traceerbaar vanaf de vroege veertiende eeuw. De al genoemde oorkonde uit 1310 is namelijk specifiek opgesteld in verband met de verkoop van het Prümer erf met hofstede aan graaf Reinald. Arnhem heeft dan in 1233 al stadsrechten gekregen en de invloed van de abdij in de tot wasdom gekomen ‘vrije’ stad is tanende. De locatie van Reinald’s hof is bekend. In 1315 verkocht hij namelijk de grond met opstallen aan het Sint-Walburgiskapittel (Nijhoff 1830, no. 160, 158-160), waarna een start werd gemaakt met de bouw van de Sint-Walburgiskerk die met zijn dubbel getorende westgevel nog altijd het stadsbeeld siert. Rest de vraag: wat is dan de locatie van het vroegmiddeleeuwse domein “Arnhem” met grafelijke hof?
Het gebied ten (zuid)westen van Arnhem als alternatief
Het respectievelijk ten westen van Arnhem gelegen gehucht Klingelbeek met zijn aangrenzende Rosandepolder en de aan de overzijde van de Neder-Rijn gelegen polder van Meinerswijk zijn mogelijk interessante kandidaten voor het antwoord op deze vraag (afbeelding 3).
In Meinerswijk richtten de Romeinen tussen de jaren 10-20 een castellum op als onderdeel van de latere limes. In verband met Frankische dreiging raakte dit castellum in de derde eeuw verlaten, maar moet aan het begin van de achtste eeuw in een latere vorm hebben bestaan. Dit naar aanleiding van een oorkonde uit 726 (Sloet 1872-1876, no. 7, 8-9). Hierin staat beschreven dat Karel Martel in het genoemde jaar alle goederen van ene Everard in het rechtsgebied van Elst en waar zich ook een “castrum” bevond, aan de kerk in die plaats schonk. De Merovingische koning Childebert had Everard deze goederen eerder ontnomen, een aanwijzing dat het hier specifiek om koningsgoed handelt. In het castrum kan een verwijzing worden gezien naar de vier kilometer noordelijk gelegen locatie van het voormalige castellum, waar tijdens opgravingen (Willems 1986, 329-356) en archeologisch booronderzoek (Van der Gauw 1989) aanwijzingen zijn gevonden voor (her)benutting van de locatie in de achtste eeuw en mogelijk zelfs eerder. Van castella en overige plaatsen van voormalig Romeins gezag wordt aangenomen dat deze in handen vielen van Frankische vorsten, waarbij Dijkstra (2011, 328) ook aannemelijk maakt dat ze als tol- of belastingkantoor voor de fiscus konden dienen.
Vandaag de dag liggend ten noorden van de Neder-Rijn, maar in het beeld van een noordelijke riviermigratie na de Romeinse tijd net als het castellum in de vroege middeleeuwen liggend ten zuiden van de rivier, is de kasteellocatie van Huis Rosande een ander interessant complex. De vroegste vermelding van dit kasteel dateert uit de veertiende eeuw (Jas et al. (red) 2013, 420), maar dicht tegen de locatie aan tijdens ontzandingswerkzaamheden gevonden aardewerk wijst voor dit gebied op een woongrond die ook terug gaat tot de vroegmiddeleeuwse periode van het castellum en voorstelbaar oudere kasteelfase(n). De exacte ligging van Huis Rosande ten opzichte van de Neder-Rijn is nadrukkelijk onderwerp van onderzoek. Kansrijk voor beantwoording is een nog te dateren geulloop ten noorden de locatie.
Van het castellum en diens directe omgeving wordt aangenomen dat deze, onder meer vanwege de naamkundige overeenkomst met Meinerswijk, de locatie is van de vicus Meginhardeswich waar Vikingen in 847 buit maakten (Gumbert-Hepp & Gumbert 2007, 59). Tot het gebied kan ook de gelijknamige grafelijke curte Meynartswich worden gerekend die in de rekening betreffende het graafschap Gelre over 1294/1295 (Meihuizen 1953) wordt genoemd en zich in het midden van de polder laat lokaliseren (Wientjes 1995) ter hoogte van een volmiddeleeuwse woongrond waarop men later Huis Meinerswijk als kasteellocatie bouwde. Er zijn ook oudere grafelijke verbanden dan deze curte aanwijsbaar. Zo ziet Verkerk (1983, 15 e.v.) in Meginhard als naamgever van Meginhardeswich een verre voorganger van graaf Wichman en stond het gebied van Klingelbeek, de Rosandepolder en Meinerswijk ook bekend als “Lopen(a)” (Sloet 1872-1876, no. 152, 150-151; Loeff 1950, regestenlijst no. 15, 115), waar graaf Balderik als echtgenoot van de hierboven genoemde Adela goederen had zoals vermeld in een oorkonde uit 1025 (Sloet 1872-1876, no. 152, 150-151; Loeff 1950, regestenlijst no. 15, 115).
Opgeteld laat de geschiedenis van het gebied zich hiermee samenvatten als een voor de vorst en graaf, vroegmiddeleeuwse locatie van betekenis met versterkingen en grafelijke bezittingen vanaf minimaal de elfde eeuw tot ver in de dertiende eeuw, en mogelijk eerder. Een alternatief voor het nabijgelegen Arnhem, waar het voor deze periode buiten het Prümer domein aan dergelijke aanwijzingen ontbreekt.
Besluit
Bovengenoemde reconstructie roept ongetwijfeld de nodige vragen op en behoeft zeker nog verdere uitdieping en toetsing. Maar de casus toont wel aan dat een interdisciplinaire benadering aanknopingspunten biedt om de stand van onderzoek verder te krijgen. Dat de graaf, tot slot, ter hoogte van Arnhem zelf pas vanaf de late twaalfde eeuw positie inneemt, past binnen de door Rutte (2002) geconstateerde en breder zichtbare ‘stedenpolitiek’ van Gelderse graven ter versterking en markering van hun machtsgebied.
Verder lezen
Dijkstra, M.F.P., 2011: Rondom de mondingen van Rijn & Maas. Landschap en bewoning tussen de 3e en 9e eeuw in Zuid-Holland, in het bijzonder de Oude Rijnstreek. Leiden.
Gaauw, Piet van der, 1989: Boor- en weerstandsonderzoek castellum Meinerswijk. In: R.A.A.P. Rapport 41. Amsterdam.
Gumbert-Hepp, Marijke & J.P. Gumbert, 2007: Annalen van Egmond. De Annales Egmundenses tezamen met de Annales Xantenses en het Egmondse leven van Thomas Becket. Hilversum.
Jas, Jorien, Frank Keverling Buisman, Elize Storms-Smeets, Annemiek te Stroete & Marc Wingens (red), 2013: Kastelen in Gelderland. Utrecht.
Knichel, Martina, 1987: Geschichte des Fernbesitzes der Abtei Prüm (Quellen und Abhandelungen zur mittelrheinischen Kirchengeschichte. Band 56).
Loeff, J., 1950: Het archief der commanderij van St. Jan te Arnhem. ’s-Gravenhage.
Mark, R. van der & M.A. Tolboom, 2020: In de schaduw van de Eusebius. Archeologisch onderzoek naar de prestedelijke bewoning en de ontwikkeling van een bouwblok op het Kerkplein in Arnhem. In: BAAC-rapport A-16.0325. ’s-Hertogenbosch.
Meihuizen, L.S., 1953: De rekening betreffende het graafschap Gelre 1294/1295. Groningen/Jakarta.
Nijhoff, Is. An., 1830: Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland door onuitgegevene oorkonden opgehelderd en bevestigd. Eerste deel. De toestand van Gelderland in de eerste helft der veertiende eeuw. Arnhem.
Pierik, Harm Jan, 2017: Past human-landscape interactions in the Netherlands. Utrecht.
Rosenberg, H., 1960: Gelderland. Arnhem, monumentennieuws (Bulletin & nieuws-bulletin
Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond. Zesde serie, jaargang 13).
Rutte, Reinoud, 2002: Stedenpolitiek en stadsplanning in de Lage Landen. Zutphen.
Schwab, Ingo, 1983: Rheinische Urbare. 5. Band. Das Prümer Urbar (Publikationen der Gesellschaft für rheinische Geschichte XX).
Sloet, L.A.J.W., 1872-1876: Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutfen, tot op den slag van Woeringen, 5 juni 1288. ’s-Gravenhage.
Verhagen, J.G.M., 2022: Tussen de dam van Drusus en de zuilen van Hercules. Romeinse waterwerken in de Rijn-Maasdelta. Arnhem/Lichtenvoorde.
Verkerk, C.L., 1983: Arnhem, van koningsgoed tot stad (Gelre. Vereniging tot beoefening van Gelderse geschiedenis, oudheidkunde en recht. Bijdragen en Mededelingen. Deel LXXIV).
Wientjes, R.C.M., 1995: Een heerlijkheid in de bocht. Kaartboek van de polder Meinerswijk bij Arnhem. Zwolle.
Willems, W.J.H., 1986: Romans and Batavians. A regional study in the Dutch eastern river area. Amsterdam.
© Martijn Defilet and Leiden Medievalists Blog, 2026. Unauthorised use and/or duplication of this material without express and written permission from this site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full and clear credit is given to Martijn Defilet and Leiden Medievalists Blog with appropriate and specific direction to the original content.